Minister van Essen op bezoek bij Natuurmonumenten

Natuurbeheer in De Wieden: ‘Als we niets doen, wordt alles bos’

Met grote machines worden in De Wieden bomen gekapt, petgaten uitgegraven en verzuurde grond afgegraven. Dat lijkt vreemd, want waarom grijpt Natuurmonumenten in een natuurgebied in als je de natuur juist wilt beschermen? Gidion Kok, gebiedsmanager Natuurmonumenten in De Wieden, legt het uit.

Eerst even de administratie. Natuurmonumenten is, anders dan Staatsbosbeheer, geen overheidsinstelling, maar een vereniging met bijna één miljoen leden. De organisatie beheert in heel Nederland ongeveer 112.000 hectare natuur en is in De Wieden de zogenoemde terreinbeherende organisatie (TBO). In de Weerribben is Staatsbosbeheer de TBO. Samen vormen De Wieden en de Weerribben het Nationaal Park Weerribben-Wieden. Het park beslaat zo’n 10.000 hectare en daarmee een groot gedeelte van de gemeente Steenwijkerland.

Cultuurlandschap

Gidion Kok Natuurmonumenten

Gidion Kok (foto: Natuurmonumenten).

In de loop der jaren is Natuurmonumenten, zo begint Gidion in het beheerkantoor bij de Ronduite, steeds meer een beweging geworden. “We zitten veel meer aan overlegtafels in en rondom de gebieden. We hebben ook een Haagse lobby, omdat we streven naar een gezondere bodem-, lucht- en waterkwaliteit, ook buiten onze eigen gebieden. Dat is uiteindelijk goed voor ons allemaal.”

Een belangrijk aspect in het Nationaal Park is de invloed van de mens. “We zijn geen natuurgebied pur sang. We zijn echt een oud cultuurlandschap met een heel rijke, gevarieerde en natte natuur.” Dat cultuurlandschap is ontstaan door de vervening. “Er is hier turf afgegraven, dat als brandstof naar de grote steden ging. Onze voorouders hebben dit landschap eigenlijk achtergelaten. Zo kun je het in een notendop samenvatten. En daarmee zijn we dus een oud cultuurlandschap, met wel heel zeldzame en kwetsbare natuur.”

Verlanding

De belangrijkste opgave van Natuurmonumenten is het beschermen van die zeldzame en kwetsbare natuur. Alles heeft daarbij te maken met verlanding: het proces waarbij open water zich geleidelijk ontwikkelt tot (moeras)bos. Onderweg ontstaan drijftillen, die zich steeds verder ontwikkelen. Vervolgens ontstaan kraggen: die bestaan uit een drijvende vegetatielaag die steeds steviger wordt, totdat je er uiteindelijk zelfs op kunt lopen. Daarna ontwikkelt het gebied zich verder tot trilveen en rietland, om uiteindelijk over te gaan in (moeras)bos.

Verlandingstadia

Schematische voorstelling van de verschillende verlandingstadia (beeld: Natuurmonumenten).

“Er zijn dus allemaal verschillende stadia”, vervolgt Gidion, “en juist omdat we die verschillende stadia hebben, is dit gebied zo uniek. In die verschillende stadia komt al die kwetsbare natuur voor. Dat is de reden dat de natuurwaarden hier zo hoog zijn. Onze uitdaging is om die verschillende successiestadia, van open water tot bos, in tijd en ruimte beschikbaar te houden. En daarvoor moet beheerd worden. Want als er niets aan wordt gedaan, groeit uiteindelijk alles dicht tot bos. Daar is op zichzelf niks mis mee, maar wij willen die variatie erin houden.”

Nou zullen de Beulakerwijde en de Belterwijde niet zomaar dichtgroeien. “Maar alle leuke vaarroutes, al het moois hier om te varen, dat verdwijnt dan. Maar ook al het rietland waar de rietsnijders van afhankelijk zijn, is dan uiteindelijk weg.”

Datzelfde geldt voor de verschillende soorten planten en dieren, zoals de roerdomp, klokjesgentiaan, grote karekiet, vuurvlinder en parnassia. Deze bijzondere soorten hebben allemaal baat bij een bepaald stadium van die verlanding. Wil je ze allemaal behouden, dan moet je dus ook alle verschillende stadia in stand houden. Soms kan de een namelijk niet zonder de ander.

Gebiedsvisie

Hoeveel van die verschillende natuurtypen heb je dan eigenlijk nodig? En hoe zorg je ervoor dat die variatie behouden blijft? Zit er een bepaalde verhouding in, waarbij er bijvoorbeeld x procent veenmosrietland nodig is? Gidion gaat verder: “We hebben een gebiedsvisie waarin dit allemaal is uitgewerkt. Daarin kijken we nadrukkelijk naar de verhouding tussen de verschillende natuurtypen en naar wat er nodig is om de verlanding in het gebied in tijd en ruimte beschikbaar te houden. Dat betekent bijvoorbeeld dat we jaarlijks ongeveer tien hectare aan petgaten moeten graven.”

Rietpachters, boeren, vrijwilligers, lokale ondernemers, andere partners en Natuurmonumenten werken hier samen aan het beheer. Waarom is het samen beheren zo belangrijk? Gidion: “Je ziet bijvoorbeeld dat de verlanding door stikstof sneller gaat en de grond sneller verzuurt en verruigt. Dat kun je ook echt zien: als je om je heen kijkt, zie je her en der in het rietland best veel boompjes staan. En de kragge wordt ook ouder en daardoor droger. Dan gaat die verruiging nog sneller. Daar zijn we eigenlijk continu tegenop aan het beheren, om te zorgen dat de boel niet alleen maar verruigt. Dat wil een rietsnijder ook niet, want dan heeft hij geen riet meer.”

Stikstof

Schrapen rietland

Afschrapen van de verzuurde laag op het rietland (foto: Natuurmonumenten).

Gidion bevestigt dat de stikstofdepositie ervoor zorgt dat er meer en sneller moet worden beheerd. “Daarom nemen we diverse maatregelen. Om de verruiging en de verzuring te temperen, graven we veel sloten en greppels. Zo’n veenmosrietland wordt te zuur, waardoor er minder bijzondere planten en minder riet komen te staan. Dat heb je in dat rietonderzoek ook wel gelezen. Er moet dan meer basenrijk water naartoe. Om het water weer echt in die kragge en in die percelen te krijgen, moeten we dus sloten en greppels graven. Als de kragge te oud en te dik is geworden en daarmee te droog, moeten we die afschrapen om weer te herstellen.”

“De maatregelen snijden aan twee kanten”, aldus Gidion. “Je schraapt die verzuurde laag eraf om ervoor te zorgen dat de natuur weer ruimte krijgt, dat er weer meer flora en fauna terugkomt en dat het weer bloemrijk wordt. Maar op die rietlanden krijg je ook weer meer riet. Daarom zetten we daar volop op in.”

Natuurmonumenten moet dus steeds opnieuw aan de slag. Gidion vertelt: “Je bent steeds de verlanding aan het resetten door die kragge als het ware tien jaar terug te slingeren. Dan krijg je eerst weer mooi riet, want het staat dan weer mooi met de voetjes in het water. En gaandeweg wordt die kragge weer ouder, waarna je het inderdaad opnieuw moet doen.”

“Daarbij worden oude petgaten weer helemaal opengegraven. We noemen dat cyclisch beheer. Als wij geen kritiek meer willen krijgen en alleen maar lekker gaan beheren met elkaar, wordt die kragge ouder, ouder en nog eens ouder… Dan groeit er op een gegeven moment geen riet meer, maar alleen nog bos. Dan raak je die verlandingscyclus kwijt. Vandaar dat je in het gebied moet zorgen voor voldoende open water.”

Dat beheer met flinke machines ziet er soms wat rigoureus en lomp uit, weet ook Gidion. “Ja, daarom moeten wij dit ook goed uitleggen. We moeten op de lange termijn durven denken om überhaupt begrip te kunnen hebben. Als je alleen kijkt naar wat je nu ziet – bijvoorbeeld bos en veel bomen – is het moeilijk te begrijpen waarom wij al die bomen kappen. Kijk je verder terug, dan zie je dat het landschap steeds is veranderd. Eerst was het hooiland, daarna zijn er petgaten gegraven, ontstond er rietland en pas later is het bos geworden. Het hangt dus sterk af van je referentiekader: wat je nu als natuur ziet, is vanuit een historisch perspectief niet altijd oorspronkelijk.”

Rietland en petgaten in De Wieden (foto: Ingrid de Roode).

Rietland en petgaten in De Wieden (foto: Ingrid de Roode).

“Wij kijken naar het totale gebied en niet alleen naar iemands achtertuin. Dus voor het totale gebied zeggen wij: wij zijn niet tegen moerasbos. Wij zorgen er juist voor dat er genoeg moerasbos overblijft. We hebben hier ook een aantal eendenkooien. Dat zijn hele oude kernen van oude bossen. Daaromheen zorgen we ervoor dat er bos bij komt. Dus in verhouding halen we nu bos weg, maar we zorgen ook dat de bossen bij de eendenkooien verder kunnen uitbreiden. Per saldo houden we ongeveer evenveel bos in het gebied.

Dan moeten er dus ook steeds keuzes worden gemaakt. Gidion: “De belangrijkste keuze is dat we goed naar het landschap kijken. We halen alleen moerasbos weg op plekken waar zo’n oud petgat van onze voorouders zit. Het veen zelf gaan wij niet weggraven. Als we dat moerasbos weghalen, met die drijvende kraggen, dan komt die bak water weer open te liggen en kan die opnieuw gaan dichtgroeien. Op dat moment weten wij ook wel dat daar een mooi moerasbos staat, maar je kunt hier niet de kool en de geit sparen. Soms is het tegenstrijdig en daar zitten wij ook altijd mee: wanneer doe je er goed aan? Maar oud moerasbos gaat uiteindelijk ook over zijn optimum heen. Het houdt minder CO₂ vast dan jong bos. Zo’n petgat gaat weer opnieuw verlanden, gaat weer groeien, er ontstaan drijftillen en dat gaat dan op dat moment ook weer koolstof vastleggen. Zo zorgen we er ook voor dat het gebied niet komt stil te staan.”

Van hoogveen naar verbossing

Waar precies flink wordt gegraven, hangt dus samen met wat er in het verleden al is gebeurd en waar onze voorouders ooit begonnen zijn te graven. Een paar honderd jaar geleden was het hier namelijk hoogveen, vertelt Gidion. “Dit hoogveengebied is oorspronkelijk ontwaterd door monniken uit Sint Jansklooster. Het hoogveen werd drooggelegd en zo ontstond een soort laagveen.”

Rietoogst in het Nationaal Park (foto: Wout van de Belt).

Toen had je hier een hooilandcultuur en stond er eigenlijk nul bos. “In dat hooiland zaten allemaal kleine boeren. Voor hen werd het op een gegeven moment rendabeler om hun eigen land af te graven voor de turfwinning in plaats van te ploeteren in het hooiland. Vanaf dat moment zijn die petgaten ontstaan. Die groeiden vervolgens weer dicht en zo ontstond ook de rietcultuur.”

Daarna kwam er concurrentie van buitenlands riet. “Daardoor werden heel veel rietlanden niet meer beheerd, omdat het niet meer rendabel was om riet te snijden. Toen is die verbossing pas echt ontstaan. Dus die moerasbossen die wij nu weghalen, zijn zo’n zestig à zeventig jaar oud, niet ouder. Behalve de eendenkooien. Die zijn veel ouder. Daar staan echt heel oude bossen.”

Wat vindt Gidion ten slotte van de kritiek op het beheer? Er stond ooit hooiland, nu riet en je kunt het gewoon bos laten worden? “Dat is een denklijn”, aldus Gidion. “Wij kunnen ook helemaal niets meer doen en dan krijg je inderdaad alleen maar moerasbos in De Wieden. Maar ja, we hebben hier een cultuurlandschap, dat door mensenhanden is ontstaan. Boeren en rietsnijders hebben er met elkaar voor gezorgd dat we nu hier zo’n rijke biodiversiteit hebben. Met soorten die Europees zeldzaam zijn. Voor ons is het een grote verantwoordelijkheid om dat te behouden, aangezien dit landschap zo hoog gewaardeerd wordt.”

Op de plekken waar net is afgegraven, blijft vaak een kaal, modderig en zwart stukje land over. Met uiteraard de open liggende petgaten. “Je moet even door die uitvoering heen kijken”, besluit Gidion. “Geef het een jaar en alles is weer groen en dan kan het weer tientallen jaren mee.”

Lees ook:

“Het is niet zo dat wij van de boeren af willen”